14 oktober 2019
 Gepost door Charlotte Beumer
0

Jij bent al te groot

“Nou, wat hebben júllie mooi gezongen zeg, wàt een leuk liedje, dat had ik nog niet eerder gehoord!”
Het is fris en helder en gelukkig droog. Mijn lampionnetje wiegt zachtjes heen en weer in de kille novemberavond-bries.
De vrouw in de deuropening houdt ons breed lachend een tupperware bak vol snoepgoed voor.

“Pak er maar twee, hoor.”
Mijn vriendinnetje grabbelt een leuke buit bij elkaar. Maar zodra ik mijn handje in de bak wil steken volgen de legendarische woorden: “Jij krijgt niet hoor, jij bent al zo groot!”

Ik kijk haar aan. Probeer in te schatten of ze een grapje maakt of niet.
“Jij loopt zeker met je kleine zusje mee hè?” vult ze de situatie voor ons in.
Zusje? Ik heb helemaal geen zusje.
Ik heb wel een vriendinnetje. Ze staat naast me. Ze is twee koppen kleiner dan ik, en bijna een heel jaar ouder.

“Nou ja, vooruit dan maar,” zegt de vrouw dan zuinigjes, als ze mijn beteuterde gezicht ziet. “Want dit is denk ik wel zo’n beetje het laatste jaar Sint Maarten voor jou hè? Nou dahàg, kindertjes.”
De deur gaat dicht.

Ik kijk naar de snoepjes die ik uiteindelijk toch mocht pakken, maar ik heb er niet zoveel trek meer in.
Het was die avond namelijk al de derde keer dat ik te horen kreeg dat ik eigenlijk al veel te groot was.

Ik was altijd al een stuk langer dan gemiddeld.
Waar ik vijftien jaar geleden nog het liefst tien centimeter van mijn benen zou hebben gezaagd om maar ‘normaal te zijn, zoals de rest’, heb ik inmiddels mijn lengte omarmd. Omdat ik niet anders mocht van mijn moeder, die me opvoedde (en nog steeds trouwens) met zelfliefde en niet toestond dat ik in elkaar gevouwen stond.

Ik ben er blij mee, met al die centimeters.
Heus niet alleen maar omdat ik zo nu en dan eens een bekertje crème fraiche uit het bovenste schap kan pakken voor een wanhopig ronddrentelende bejaarde (goed voor mijn karmapunten), ook omdat ik er bén, ook op de dagen dat ik er eigenlijk eventjes niet zou willen zijn. Om mij kan je niet heen. Hier ben ik. Een-meter-tweeënnegentig aan leven.

Dat het me wel wat jaren heeft gekost om met mijn lange lijf uit de voeten te kunnen heeft vooral te maken met uitdagingen die als kind al op mijn pad kwamen.

Niet alleen werd mij de toegang ontzegd tot de ballenbak in de IKEA omdat men niet geloofde dat ik nog maar zeven jaar was (een feit dat mijn oma, die erbij was, tot op haar sterfbed nog tot een razende woede bracht), ook werd ik geacht van alles maar te kunnen, te snappen en te weten. Want ik was toch al zo groot! Het zijn woorden die nog steeds doorklinken.

Want als je groot bent word je snel serieus genomen, maar ook snel overvraagd.

En nu ben ik zelf moeder. Moeder van twee lieve, mooie, vrolijke, slimme, leuke en fantastische kuikens. En vooral; gróte kuikens.
En vooral met mijn dochter Teddy was het oppassen geblazen. Want een lang meisje wordt snel overvraagd. Al is ze nog zo jong.

Zo stonden we eens bij de plaatselijke Turkse groentenjuwelier, waar de meest exotische spulletjes op kinderooghoogte liggen.

“Mama, wat is dat?”
“Pompoen, schat.”
“En dat dan?”
“Kalebas, lief.”

En zo gingen we het rijtje af, tot de jongen achter de kassa sprak: “Het staat er gewoon bij geschreven hoor, wat het is.”
Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik hem aan.
“Ja,” vervolgde hij, kijkend naar mijn dochter, “ik bedoel, dat kan ze toch gewoon zélf lezen?”

Aha. Juist.

“Zeker,” antwoordde ik luchtig. “Over twee jaar, als ze leert lezen, dan kan ze dat zelf, ja.”

Hij zweeg, uploadde een kwartje in de gleuf in zijn brein, we wachtten allebei terwijl het rustig naar beneden rolde, net zolang tot het *kloink* deed.
Toen zei hij: “Huh? Maar hoe oud is zij dan?”
“Vier,” antwoordde ik. “Nèt geworden.”
“Oh. Dan eh… is ze wel groot hè?”
“Láng,” verbeterde ik hem, want da’s een wezenlijk verschil. “Ja. Mooi hè?”

En met opgeheven hoofd én onze avocado’s verlieten we de winkel.

Zij heeft dat nog niet in de gaten, maar voor mij is pijnlijk duidelijk dat het overvragen voor haar al op de loer ligt.

Ik kijk naar haar en zie mezelf. Zie haar rennen met ledematen die alle kanten opvliegen en voeten die zo hard op de stoep kletsen dat de ruiten ervan rammelen.
Ik kijk en zie mezelf. De onwetendheid van ‘waar moet dat grote lijf naartoe’. Ik ben er zó erg, maar heb daar helemaal niet om gevraagd.
Het dappere geploeter tijdens de zwemles. Het ineens zelf op de glijbaan kunnen klimmen. Alle dingen die nieuw zijn, en dat zijn er nogal wat, en allemaal even spannend. Dingen om ’s avonds van wakker te liggen, zo klein als je bent.

En elke avond weer herhaal ik onze toverwoorden. Zoals ik al duizenden keren deed en, als het aan mij ligt, nog miljoenen keren zal doen.
Jij bent precies goed zoals je bent.

En ik zeg ze tegen ons allebei even hard.

Plaats een reactie

Een moment a.u.b....