5 november 2019
 Gepost door Charlotte Beumer
0

Nieuwe plee

Ik werkte dus een paar jaar bij een woningbouwvereniging. Daar maakte ik, dag in dag uit, de meest maffe, gekke, schrijnende, opvallende, lachwekkende, verdrietige en soms heftige dingen mee. Ik schreef er 30 verhalen over. Dit is er een van.

De hele ochtend heeft mijn telefoon maar nauwelijks gerinkeld en dat feit heb ik met beide handen aangegrepen om wat achterstallige klussen weg te werken. Een groot deel van mijn werk behoort tot de categorie ‘ad hoc’; elke dag opnieuw maak ik een planning en bijna elke dag opnieuw moet ik concluderen dat die planning het raam uit kan omdat het allemaal toch weer heel anders is gelopen.
En dat door dat ene telefoontje, die ene e-mail, dat ene spontane bezoekje aan de balie van die huurder die zo overstuur was. 

Ik ben bijna klaar met mijn taken wanneer ik door collega Suus naar de balie word geroepen.
“Charlot, kun je even komen? Er staat iemand voor je in de hal.”
Vergis ik me, of kost het Suus grote moeite om haar gezicht in de plooi te houden? Nieuwsgierig loop ik achter haar aan.

In de hal staat meneer De Bruin.
Die ken ik een klein beetje, want hij woonde eerst in een van de wijken die wordt bestierd door een andere collega. Hij klaagde toen voortdurend over de overlast die hij ervoer van de talloze kinderen die op ‘zijn’ stoep speelden en mede daarom verhuisde hij naar een seniorencomplex in een van mijn wijken. Dus nu ‘heb’ ik meneer De Bruin.
Bof ik even.
“Dag meneer De Bruin,” zeg ik vriendelijk en ik steek mijn hand uit, die hij lafjes schudt. “Wat kan ik voor u doen?”

Zijn handpalm is vochtig en klam en ik heb de neiging om mijn hand aan mijn broek af te vegen. Ik kan me inhouden. Nog net.
Het gigantische lichaam van meneer De Bruin is gestoken in een enorm groot smoezelig T-shirt dat ternauwernood zijn omvangrijke buik bedekt. De onderkant van zijn pokdalige gezicht is bezaaid met ruwe zwarte stoppels en zijn tanden zien eruit alsof er al een tijdje geen tandenborstel bij in de buurt is geweest.
Ik durf Suus bijna niet aan te kijken.

“Ja,” steekt hij van wal. “Ik wil een andere plee. Ik ken d’r namelijk niet bij.”
“U wilt een andere wc?” vraag ik, licht verrast.
“Jah.” 
“Hoe bedoelt u? Waar kunt u dan precies niet bij?”

De verbazing moet van mijn gezicht te lezen zijn, want hij verklaart: “Kijk. Ik heb het effe getekend.”
Hij tovert een beduimeld propje papier uit een van zijn zakken tevoorschijn en vouwt het op de balie uit elkaar. Met zijn zweterige handpalm strijkt hij het glad, waardoor het nog smoezeliger wordt dan het al was.

“Ik zit dus in dat nieuwe huis,” vervolgt hij, terwijl ik chocola probeer te maken van wat er op het papier staat. “Maar die plee… het is te klein. Ik ken d’r dus niet bij.”
“Waarbij dan?”

Hij klopt met zijn grote bleke wijsvinger op het papier.
Wanneer ik mijn hoofd een beetje kantel zie ik dat hij een schematische weergave heeft gemaakt van zichzelf. Op de wc. Een grote pijl wijst naar de achterzijde van de wc-bril.
“Ik eh…” zeg ik fronsend, mijn gezicht gekanteld. Ik pieker me suf over wat hij nou kan bedoelen.

Ongeduldig roffelt hij met zijn vingers op zijn tekening.
“Ja sorry hoor,” zeg ik, terwijl ik van het papier naar hem opkijk, “maar waar kunt u nou precies niet bij?”
Ik vermoed dat meneer De Bruin mij tamelijk dom vindt, want dan ineens blaft hij, luid en zeer duidelijk door de hal:

“Bij. Me. Réét.”

Als door de bliksem getroffen veer ik op. Maar meneer de Bruin is nog niet klaar. Hij vervolgt: “Het is te klein. Ik krijg het niet goed afgeveegd. Daarzo.”
Demonstratief wijst hij naar zijn achterkant. Ik kan alleen maar denken aan de hand die ik zojuist geschud heb, en aan mijn hand, en wat daar nu dus allemaal aan vastkleeft.
Mijn lunch komt naar boven. En die van gisteren ook.

Zodra het me weer lukt om woorden te vormen zeg ik iets in de trant van: “Sorry meneer De Bruin, maar aan de grootte van uw toilet kan ik helaas iets veranderen. Misschien kunt u..”
“Nee,” roept hij dan op uiterst geïrriteerde toon, “ik hoor het alweer. Láát maar. Het is wel goed met jullie.”
Bruusk draait hij zich om.

Bij het weggaan krabt hij met zijn nagels over het vel van zijn onderrug. Hierbij kruipt zijn shirt omhoog en zien we nog net een stukje bilnaad.
Het is typisch een tafereeltje uit de categorie ‘niet willen zien, maar toch kijken’.

“Jezus…” prevelt Suus verbouwereerd. Dan kijkt ze naar mijn ongelukkige gezicht en proest ze het uit.
Met mijn handen in de lucht gestoken en zonder verder iets aan te raken ga ik op een drafje naar de keuken, want daar is de kraan.
En de zeep.
En de waterkoker.
En de schuursponsjes.

De lach van Suus schalt nog een tijdlang door de ontvangsthal.

Plaats een reactie

Een moment a.u.b....