9 augustus 2019
 Gepost door Charlotte Beumer
0

Ruimte en leegte

Toen
Ik wist: er komt een baby. Misselijk tot de max, kotsen tot mijn voering meekwam. Het uitdijen, de hormonen, de verdwenen enkels. De gebroken nachten, duizend keer plassen, het intense geluk, het helemaal stukgaan, het alles-tegelijk.

Ik wist: er komt een tweede. Weer dat kotsen, de om me heen drentelende peuter. Opnieuw de hormonen, het uitdijen, de gebroken nachten, duizend keer plassen, het intense geluk, het helemaal stukgaan, het alles-tegelijk.

Nu
Ik weet: er komt geen derde. Het is goed zo. We zijn compleet, mijn span en ik. Geen uitgaand verkeer meer. Niet meer dat kotsen. De hormonen alleen nog maandelijks, in een light-versie. Het uitdijen door hooguit een keer teveel pizza.
Het intense geluk ervaar ik nog dagelijks.
En wat ook blijft: dat soms nog wel stukgaan. Dat alles-tegelijk.

Waar ik na kuiken nummer 1 alles had bewaard, van box tot ledikant, van kinderwagen tot slaapzakjes en van fietsstoeltje tot buggy, wist ik na kuiken nummer 2: het kan weg. Het is klaar. Dit boek kan dicht, de fase kan afgesloten, babycase closed.

Heerlijk. Moeilijk. Knoop in mijn buik.
Opluchting. Last van mijn schouders. Plaats in de berging. Slikken. Nog één keertje die deurtjes open en dicht. De geur van het hout van de commode, die nu met een jong stel mee naar huis mag.
Hij schuift het meubel achterin een stationwagen. Zij heeft een dikke buik.
Hun eerste. Zo blij.
Weer even helemaal stukgaan, dat alles-tegelijk.

Ik zucht en kijk om me heen.
Wat een ruimte, zo zonder de kinderwagen, de box, dat ledikant en de commode.
Het voelt als ruimte.
En als leegte.

Het besef dat alles tegenwoordig een stukje makkelijker gaat.
Ze kunnen nu zelf handenwassen-en-aan-tafel. In de auto gaan zitten. Hun pyjama’s aan.
En da’s wel even een ander verhaal dan het met man en macht moeten onderscheppen van een onwillige dreumes die vervolgens alles op alles zet om te voorkomen dat jij zijn spekbeentjes in die kleine broekspijpjes gewurmd krijgt.

Maar ook: dat het hele leven bestaat uit fases.
Net wanneer je denkt dat je het allemaal niet meer trekt met de driftbuien, wanneer je uit slaapgebrek tegen je vitrage staat te praten, wanneer je lijf alleen nog maar uit zwarte koffie lijkt te bestaan, als je twijfelt of dat harde stukje dat rinkelend in de stofzuiger verdween een oud stukje soepstengel, óf het vierde schoentje van Fluttershy de My Little Pony was, dan is ineens de fase om. Ben je erdoorheen. Ligt het definitief achter je.

Wat fijn.
Wat moeilijk.
Wat jammer.
Wat heerlijk.
En weer dat stukgaan. Dat alles-tegelijk.

Mijn uit de kluiten gewassen kleuterzoon,
mijn baby, allang geen baby meer, komt thuis met betraande wangen. Beduusd, geschaafd, gevallen.
Hij kruipt bijna in me, zijn verhitte gezicht, zijn snikken gesmoord in mijn hals, schrikt dan overeind, voelt met zijn tong, toont me zijn mond.
Tand eruit.
Zijn eerste.

Het hagelwitte rijtje melktandjes, onderbroken door een gapend gat. Zijn grote ogen speuren mijn gezicht af, op zoek naar een adequate reactie.

‘Wat cóól!’ roep ik, mijn stem beverig, mijn keel dik.
‘Ja hé?’ vraagt hij vertwijfeld.
Toch? vraagt hij woordeloos.
‘Ja! Superstoer man. Net zoals je grote zus.’

Hij laat zich van mijn schoot glijden en gaat op expeditie.
Speurt de stoep af, op zoek naar zijn tand.
Dat schattige kleine parelwitte tandje, dat straks zal worden vervangen door zo’n reusachtige geribbelde stoeptegel. En dan krijgt ‘ie een heel ander bekkie, die baby van mij, die allang geen baby meer is.
Ik kijk ze na terwijl ze om de hoek verdwijnen en realiseer me dat mijn hand op mijn buik ligt.

En weer even stukgaan. Dat alles-tegelijk.

Zoveel makkelijker zonder dat sjouwen.
Want hoe kleiner het kind, hoe groter de berg mee te nemen meuk.
Zoveel makkelijker zonder de flesjes slaapjes voedingen sprongetjes schema’s. Zonder de luiers met geuren die op je keel slaan terwijl jij kokhalzend naar adem de tranen uit je ogen staat te vegen. Zonder de poep-tot-in-de-nek.
Zoveel makkelijker omdat je naar MonkeyTown kan gaan en zeker een halfuurtje een boek kan lezen, of een gesprek kan voeren met een andere volwassene.
Zoveel makkelijker.
En toch.
Weer even dat stukgaan. Dat alles-tegelijk.

Nu
Het is zomervakantie en in het holst van de ochtend zijn beide kinderen bij me in bed gekropen. Met een grote en twee kleine personen is het er al snel heter dan Satans gasfornuis, maar ik hou me zwetend staande.
Want ze slapen al een tijd niet meer in mijn bed.

En dat is ruimte,
want zonder die woelende lijfjes in standje zeester, zonder de trappelende voetjes, zonder de uitdrukkelijke wens om nu (NU!) met de autootjes te spelen ook al is de zon nog niet eens op, kan ik heerlijk doorslapen.
En tegelijkertijd is het leegte,
want die woelende lijfjes in standje zeester, de trappelende voetjes en de uitdrukkelijke wens om nu (NU!) met de autootjes te spelen ook al is de zon nog niet eens op, kan ik ook ineens heel erg missen.

De ruimte en de leegte.
Weer eventjes dat stukgaan. Dat alles-tegelijk.

Mijn lijf staat op het punt van een spontane zelfontbranding als mijn kleuter wakker wordt. Hij trekt een brede lach en ik verbeeld me dat ik de wind kan horen fluiten door dat gapende gat. Onwillekeurig grinnik ik. Ik sla mijn arm om hem heen en trek hem tegen me aan. Zijn trappelende voetjes komen al tot onder mijn knie.
‘Je bent zo warm mama.’ En dan: ‘Mag ik een filmpje kijken?’

Zijn lange jongensbenen.
Nooit meer dat kleine, alleen nog groot, groter grootst, denk ik als ik achter hem aanloop.

Wanneer ik voor de miljoenste keer mijn teen stoot aan het traphekje, trek ik mezelf uit de weemoed en naar de blijdschap. Uit de leegte naar de ruimte.
Want dat hekje, dat kan er binnenkort ook wel af. Kloteding.

Zalig.

Plaats een reactie

Een moment a.u.b....