31 oktober 2019
 Gepost door Charlotte Beumer
0

You got this

Het is nog vroeg.
Ik sta in de rij van de snelkassa en in mijn hoofd ben ik al minstens tien andere dingen aan het doen.
Dan ineens klinkt het geluid van een doffe plof, gevolgd door een hartstochtelijk huilen.
Ik registreer de situatie niet helemaal omdat ik in mijn hoofd dus al minstens tien andere dingen aan het doen ben, tot de man voor me in de rij opmerkt: “Zó… dat was best wel hard.”

Dan word ik wakker.
Ik stap uit de rij en loop enkele meters terug, het gangpad in, tot bij de fruithapjes.
Daar staat een jonge moeder. Ze houdt een klein meisje tegen zich aangeklemd. Ze wiegt zachtjes heen en weer, haar hand beschermend om het blonde achterhoofdje gevouwen, haar ogen gesloten. Ze prevelt onafgebroken een meisjesnaam.

“Hey…” zeg ik zacht. “Gaat het?”
Ik buig me over het meisje. Haar verhitte wangen vol tranen. Het winkelwagentje, waar ze zojuist uit is gevallen, staat overdwars in het pad.
Grote ogen kijken me aan. Een van pijn en schrik vertrokken mondje met daarin acht tandjes; vier boven, vier beneden.
Geen bloed. Geen blauw. Een heldere oogopslag. En een gezonde, milde achterdocht: wie is dat mens en wat moet ze van me?
Ik ben geen dokter, maar het ziet er redelijk adequaat uit allemaal. De gillende sirenes kunnen worden afgebeld.

Dan kijk ik op. Naar haar. De mama.
Haar gezicht is een stillshot van afschuw, verdriet, schuldgevoel. Haar wangen minstens net zo verhit als die van haar kleintje, haar ogen vol tranen.
Geen woord van haar lippen, alleen maar die naam. Steeds weer die naam. Zachtjes. Onafgebroken.

“Hey..” zeg ik opnieuw. “Gaat het?”
Haar hoofd maakt een beweging die zowel ja-knikken als nee-schudden in zich heeft.
“Ze viel,” brengt ze schor uit. Haar stem breekbaar. Alsof haar woorden op de grond in stukjes vallen, dezelfde grond als waar haar kind net lag.
“Ineens.”
Ze kan het zelf niet goed geloven. Ze lette nog zó goed op.
“Ze zijn ook zo snel hè,” zeg ik.
Ze knikt. Haar hand nog altijd om het achterhoofdje geklemd, steeds weer het verhitte gezichtje controlerend.
Het huilen is overgegaan in geluidjes van ongenoegen, zo nu en dan onderbroken door een wilde snik.

“Maar weet je,” ga ik verder, “hoe rottig dit ook is, het gebeurt. Al let je nóg zo goed op, je kan er niets aan doen.”
Ze snikt.
“Echt,” benadruk ik. “Je kon er niets aan doen. Jij doet het hartstikke goed.”
Ze kijkt me vertwijfeld aan. Zij denkt daar wel anders over, dat is duidelijk.
Wat is ze jong nog.

Godsamme, ik sta zowat mee te janken.
Haar schuldgevoel, dat tegen de plinten van de supermarkt klotst. Haar stok om zichzelf mee te slaan, niet zichtbaar maar oh zo voelbaar, en wij mama’s, we hebben er allemaal eentje.

Voor mijn ogen flashbacks van mijn eigen vallende kroost.
Die keer dat mijn dochter binnen kwam rennen, grote verwilderde ogen en een bloedlip.
Die keer dat mijn zoon ineens bleek te kunnen klauteren en van de vierde tree naar beneden viel.
Die keer dat ‘ie een tabletje geperste aarde uit een AH moestuintje opvrat.
Die keer met die geschaafde knieën.
Die keer met die Frozen-kraal in haar neusgat.
Of die keer… of die keer… en toen die keer…

Ik moet me inhouden om haar niet stevig tegen me aan te drukken.
Haar te wiegen en zachte, troostende woordjes te zeggen. Alsof ik, met terugwerkende kracht, mezelf sta te troosten.
Ik leg mijn hand op haar bovenarm en laat het daarbij. Niet iedereen zit zomaar op fysiek contact te wachten en straks ben ik dat gekke wijf uit de supermarkt.

Ik herhaal mezelf. En nog eens. Als een mantra.
“Je kon er niets aan doen. Dit hoort erbij. Je doet het goed. Echt. Je kon er niets aan doen. Dit hoort erbij. Je doet het goed. Echt.”
Net zolang tot ze rustiger ademhaalt.
Heel even, een seconde, lacht die uk zo’n onweerstaanbare lach, zo eentje met kwijl en alle acht haar tandjes.

“Zeg,” hoor ik mezelf vragen, “hoe heet ze eigenlijk?”
De mama noemt de naam van een prinses uit een Disney-film, zo eentje van het stoere soort. In haar stem heeft schuldgevoel plaatsgemaakt voor trots.
En terecht.

Kinderen.
Ze lazeren van traptreden, van bedden, van stoepranden. Ze kukelen uit kinderstoelen, hun ledikant of van de commode. Later stuiteren ze van hun fiets of blijven met een rolschaats achter een stoeprandje hangen.  
Ze vallen, kletteren, buitelen, donderen, duikelen. Ze tuimelen, storten neer, ploffen, flikkeren en mieteren.

En mama’s.
Die zorgen, troosten, plakken pleisters, smeren crèmetjes en zalf. Die kussen tranen weg en zingen liedjes en wensten dat zij het over konden nemen en voelen zich schuldig en rot.
Want dat zit zo stevig meegebakken, zie dat maar eens los te laten.

Zoals de kinders soms of vaak of heel vaak de troostende woorden nodig hebben van hun mama, zo hebben die mama’s op hun beurt soms of vaak of heel vaak de troostende woorden nodig van andere mama’s.
Naast de talloze mooie momenten kennen we allemaal de strijd, de struggle, de tranen. De vertwijfeling, dat ondermijnende doe-ik-het-wel-goed en de onversneden wanhoop.

Supermama’s zijn we allemaal, maar soms zit je cape door de war. En dat is helemaal niet erg.
Maar laten we dan kiezen voor een duim omhoog, voor een knuffel of voor een paar bemoedigende woorden.
Laten we er dan voor kiezen om een stukje met elkaar mee te vliegen.

Want, hey Supermama, you got this.

Plaats een reactie

Een moment a.u.b....