5 augustus 2019
 Gepost door Charlotte Beumer
0

Zonde

‘Weet je wat het is, Charlie?’
‘Nou..?’
‘Je ken wel tegen een bus aanlope.’

Negen van de tien keer klonken we nog tijdens de laatste lettergreep onze glazen tegen elkaar.
En ik zweer het je: als ik een euro had gekregen voor elke keer dat hij die zin uitsprak, in zijn onvervalste, plat Amsterdamse tongval, had ik een bus kunnen kópen. Een dubbeldekker.
Het was zijn manier om te zeggen dat je ervan moest genieten, van het leven. Het was zijn ‘fuck it all’, zijn ‘whatever’, zijn ‘na mij de zondvloed’.

Hij.
Eerst was hij de barkeeper. Vervolgens werd hij mijn zoenvriendje. Toen mijn sta-in-de-weg, mijn zoete zonde, mijn grote frustratie. Vervolgens mijn lievelings, mijn stapmaatje, mijn zullen-we-kijken-wie-het-snelst-dronken-wordt.
Mijn ‘zullen we wel, zullen we niet’. Mijn ‘Ja we doen het gewoon, nee toch niet, toch wel, pfff, we weten het niet’, mijn ‘wat moeten we nou’, mijn ‘ah fuck it’.
Mijn niet te duiden, mijn ‘on-label-baar’.

Daarna werden we ouder en wijzer en volwassener, konden we steeds slechter tegen drank, deden we het definitief níet en toen begonnen de gesprekken pas écht.
Nog later verwerden we allebei tot achtergrond. Alleen nog aanwezig in elkaars coulissen, op een liefdevolle plek tussen de andere herinneringen.

In al die jaren bleef echter een ding onveranderd.
Zijn onbedoeld profetische ‘je ken wel tegen een bus aanlope’.

Flashforward naar nu

De laatste paar maanden ben ik veel aan het bouwen geweest. Bouwen aan een volgende fase, aan mijn leven zoals ik dat wens, aan mijn toekomst, mijn bedrijf en aan mijn huis, dat echt nodig weer een thuis moest worden.

Out with the old, in with the new werd een nieuw credo en zo kwam het dat ik eindelijk begon los te laten. Ik keek in tassen die jaren niet open waren geweest. Dozen die in geen eeuwen van hun plank af waren gekomen. Te pijnlijk. Te confronterend. Vol met Komt later wel een keer.
Ik bedacht me dat herinneringen in je wezen zitten en niet in dingen.

Ik deed hun babytijd niet weg, alleen een ledikant.
Ik bracht mijn jeugd niet naar de kringloop, alleen twee zakken kleding.
Ik wiste voorbije relaties niet uit, alleen hun vergeten spullen.
Ik veranderde, verplaatste, bedacht, maakte, durfde, gooide weg, hield nog even vast en liet toen los. Zo zoetjesaan kreeg alles een nieuwe plek.

En toen ineens, de badkamer.

Ik nam een vuilniszak en schuimde kastjes en plankjes af. Zó groot is mijn badkamer niet, maar aan het einde van m’n strooptocht was de vuilniszak vol.

Wat ik vond: flessen en flesjes, potten en potjes, proefjes, verpakkingen, mini’s.
Met daarin niet alleen randjes, restjes, drupjes, beetjes, maar ook hun wrange boodschap over hoe ik al die tijd in het leven stond: zonde.
Zonde om op te maken.
Zonde om te gebruiken.
Hamsteren die boel. Bewaren voor een speciale dag. Dat bijzondere moment. Die ene gelegenheid.
Hun staat: vergaan, vergeeld, verzuurd, verlopen.

Terwijl ik de zak vul met hun zwaarte echoën de woorden nog veel zwaarder door mijn hoofd.
Zonde zonde zonde.
Bewaren bewaren bewaren.
Wachten wachten wachten.
Uit mijn badkamerkastjes snoei ik kilo’s ongebruikte momentjes, ongenoten lekkers, niet-gesmeerde blijdschap. En ik slik. Voor de zoveelste keer tijdens dit hele proces.

Ik ben niet boos op mezelf. Niet verdrietig. Niet meer.

Ik vertel mezelf dat we het voortaan anders gaan doen.
Dat we bodycream gaan smeren tot op het fakking laatste restje. Lievelingsparfum gaan spuiten op een gewone dinsdagochtend, ook al regent het, ook al staat er geen feestje in de planning, ook al is het bijna op.
Dat we stoppen met wachten, stoppen met bewaren. Dat het gebruiken van blije spullen nooit maar dan ook nooit maar dan dus ook écht! nooit! zonde kan zijn.

Terwijl ik de zak Verleden de trap af sjouw klinken er plots stemmen uit mijn coulissen.
Zachtjes, maar onmiskenbaar.
Ik luister. En glimlach.

‘Weet je wat het is, Charlie?’
‘Nou?’
‘Je ken wel tegen een bus aanlope.’

In gedachten klink ik mijn glas tegen het zijne.

Plaats een reactie

Een moment a.u.b....