“Ik ga naar Engeland.”

Ik zie alleen haar mond bewegen. Ik zet mijn lievelingsnummer op pauze en haal het dopje uit mijn oor.

“Sorry mevrouw, wat zei u?”
“Ik ga naar Engeland,” herhaalt ze. Haar stem dik. Alsof haar woorden te groot zijn voor haar keel. Alsof dit gesprek niet zojuist uit het niets is ontstaan maar al gaande was zonder dat wij daar vanaf wisten.

Glunderend wijst ze op haar koffer, die minstens net zo oud is als zijzelf. En dat is best oud. 
“Ik ga mijn neef opzoeken,” vervolgt ze. “Die heb ik meer dan zestig jaar niet gezien. Zéstig jaar!”

Als ze haar verhaal niet snel kwijt kan dan barst ze.

Ik zie haar blik afdwalen en kan bijna zien wat zij ziet, voorbij de horizon van vandaag. De tijd die er niet meer toe doet.
Haar neef en zij, kinderen nog, poedelend in een zwembadje. Snoepend van een scone.

En dan ineens: gescheiden door wat het leven bracht.
En dan ineens: uit het oog verloren. 
En dan ineens: zestig jaar voorbij.

Ik kan bijna voelen wat zij voelde. Opnieuw gelegd contact. De vertwijfeling van wil ik, kan ik, zal ik. De stoute schoenen. De voorbereidingen, de oude koffer, het aftellen van de dagen, minuten, seconden. 
En dan ineens: onderweg. In de trein.

Dat gevoel. Dat zich niet laat bevatten en maar nauwelijks laat beteugelen. Het is groter dan zijzelf. Het maakt me deelgenoot.
Het voelt als confetti in mijn buik.

***

De ‘V’ van Verhalen..

…staat al op mijn voorhoofd zolang ik me kan herinneren. Waar mijn vriendinnen vroeger in de kroeg leuk stonden te flirten had ik altijd wel weer een praatgraag type aan mijn fiets hangen die niets liever wilde dan Delen: over zijn vrouw (die hem niet begreep), zijn huwelijk (poreus) of zijn leven in het algemeen (verrot).

Ik realiseerde me al op jonge leeftijd: mensen praten graag met mij.

Vaak vond ik dat bijzonder. Soms vond ik het vermoeiend. Tijdens de jaren dat ik veel met de trein reisde sloot ik me er vaak moedwillig voor af.

Althans, dat probeerde ik. Want al propte ik de dopjes van mijn mp3speler nog zo diep in mijn oren, kruiste ik al mijn ledematen in wat men een ‘gesloten houding’ noemt en vouwde ik demonstratief de krant open, binnen een paar minuten was er alweer iemand tegen me aan het praten.

Mijn treinrit duurde maar een minuut of twintig, maar dat was voldoende voor kletspraatjes, levensverhalen en dilemma’s. En alles wat daartussen zat.

Ik krijg energie van je.

Krijg ik vaak te horen. En dat is natuurlijk heel bijzonder. In deze tijd van veel prikkels, van drukdrukdruk, van vooral veel moeten, lijkt luisteren, écht luisteren, een schaars goed te zijn geworden.

Echt luisteren, ik kan het. Ik kan je coach zijn. Of je praatpaal. Je plek om te ventileren. Je back-up of je adviseur.

Ga je mee?

Rondje wandelen in het bos of op het strand.

Kom je langs?

Ik heb lekkere koffie.

Wil je meer weten?

Neem contact met me op.
Dan luister ik naar je. Dan help ik je om de verhalen die in de weg zitten een goede plek te geven. Om oude boeken dicht te slaan. Om bepaalde hoofdstukken af te sluiten en nieuwe te beginnen. Want het vervolg, dat schrijf jij zelf.